Nocturne voor Joachim: Fragment 2

Wanneer ik het werk verlaat, verdraag ik het lawaai van de wagens naast mijn fiets niet. Ik schiet zo snel als een vluchtende vogel naar de stilte van het fietspad, op een voormalige spoorwegbedding, om troost en kracht te vinden in een tunnel van loof. In noodsituaties pas ik me beter aan de natuur aan dan aan de mensen. De bomen spreiden over mij hun nog groene vleugels open, in deze zonderlinge nazomer van september. De geur van gemaaid gras verzacht alle gedachten. De wind doet de kruinen spreken, in lagen voorbijgaande lucht, als een soort zacht zuchten. De smaak van de regen vloeit over mijn gelaat, als een wenen vanuit de hemel. Het nat langs mijn wangen spoelt de kwelling van kwade dromen weg. ‘Listen to the falling rain’, zingt het in mij. Wanneer de tranen drogen, beweeg ik verder in het getemperd licht, onder de bogen van het poreuze bladerdek. De wolken vervoeren me in een zeker welbehagen. Het braamstruweel wordt door de wind gedwongen om de zilveren witte onderzijde van zijn bladeren te etaleren, als vlaggenmastjes die me de weg tonen. Al fietsend moet ik antwoorden zoeken voor vreemdsoortige onzekerheden. Een afgekraakte tak hangt halfstok tegen een stam waarop een elfenbank verder leeft. Eindeloos wil ik verder fietsen, langzaam aanvaarden en gewennen dat het leven zijn weg zoekt, net zoals water. Bestaat er een onbegrensd leven, volkomen een met het universum? Is het niets meer dan buiten jezelf te treden, de eindeloze rust in, tijd voor nabeschouwing?

Thuis leg ik Gregoriaanse muziek op, omdat ik naar een teruggetrokken en meditatieve sfeer gezogen word. De eenvoudige toonschildering, reciterend gebracht in eenstemmige zang, laat me nog even in een verborgen leven, in de uithoeken van mijn ziel, zwevend boven de pijnlijke realiteit. Met dank aan mijn sublimerend vermogen, ben ik weer helemaal mijn onverstoorbare zelf. ’s Morgens vallen de dingen altijd weer mee en genereer ik mijn oneindige vermogen om woeste stormen tot bedaren te brengen. Een lemniscaat teken ik als richtinggevend symbool op papier.

Op 9 november 2019 verschijnt het boek Nocturne voor Joachim, van Magda De Wolf. Een herkenbaar verhaal van een moeder over haar zoon… en de innerlijke waarheid van de mens en liefde die blijft schitteren, over de grenzen van de dood heen.

Meer info over het boek vind je hier.

Fragment 1 uit Nocturne voor Joachim vind je hier.

Van Nocturne voor Joachim werd door An Staels en Patrick Bernauw in de reeks [in]-sane ook een podcast gemaakt, die je hier gratis kunt downloaden, en uiteraard ook via Spotify, Apple Podcast, enz…

Nocturne voor Joachim: Fragment 1

Het middelpunt van je gedachten.

Op 9 november verschijnt het boek Nocturne voor Joachim, van Magda De Wolf. Een herkenbaar verhaal van een moeder over haar zoon… en de innerlijke waarheid van de mens en liefde die blijft schitteren, over de grenzen van de dood heen.

Hier vind je meer info over het boek, waarvan ook een podcast gemaakt werd:

Op deze website publiceren we enkele fragmenten uit het boek, waarvan dit het eerste is.

Feilloos voelen op welke momenten je aan iemands zijde moet zijn en op welke momenten je iemand beter uit de weg kan gaan, dat ‘weten’ ten aanzien van geliefden is groots. Het is het middelpunt van je gedachten als je naar harmonie zoekt.

We zitten in zijn slaapkamer zachtjes te praten over de voortgang van zijn leven. Het is alsof we een eeuwenoude verwantschap in ons samenzijn herkennen. Als vanzelf word ik de rustige baken, waar hij even kan tegen leunen, iemand die hoort wat er niet gezegd wordt, iemand die tussen de regels leest. Daarin zijn we onderling verwisselbaar. Ik til zijn zwaarte op tot hij vederlicht wordt. Ooit doet hij datzelfde bij mij.

We kijken zoals steeds naar de haagbeuk en laten onze gedachten vertakken. Hij leeft met het uitzicht op een hoekje tuin van zijn grootouders en op het oude bakstenen huisje van zijn overgrootouders, dat in de avondzon weer een gezicht krijgt. We dromen weg bij de bomen die deelnamen aan zijn kinderspelen, die hij nu ziet ouder worden en die lichtjes bewegen, als dansers in een sprookjesrijk. Zijn gedachten zijn elders, bij een onzichtbare elf.

Hij denkt aan alles wat hij droomde en deed en kijkt op het schap naar de afdruk in gips van zijn handje toen hij nog kind was. Er is geen enkel gerucht. De tijd stapelt zich geruisloos op, jaar na jaar van oud naar nieuw. Niets houdt stand uit dat kinderleven; we zoeken een band met wat gebleven is of verdwenen. Het gemijmer geeft voeding aan zijn verhaal, dat zich zonder omhaal verder zet. Hij leeft met een geheim dat hij met iemand moet delen. Zijn zwijgen spreekt boekdelen. ‘Soms heb ik mezelf niet volledig in de hand’, zegt hij, terwijl hij me schuin aankijkt. Er volgt een stilte, die een eeuwigheid duurt. Heb ik dit wel juist gehoord? Ik zet me in een mentale lotushouding en toon een duizelingwekkende kalmte. Moet ik iets zeggen over de mogelijkheden van de vrije wil aan de jongen die zo vaak een grote adembenemende beheersing toont? Is dit een voorafschaduwing van iets wat onvermijdelijk zal komen? Iets dat je raakt, verwart en kan ruïneren? Iets dat als een bliksemschicht kan opkomen? Dit tast je aan in je kern. Het is in staat je waardigheid te ontnemen. De waarheid dringt slechts langzaam, barmhartig langzaam tot me door.